Orgeltrap

Trap en toegangspoort

De trap naar het grote orgel dateert uit 1615. Het jaartal staat beneden in de boom ingekerfd.

Het toegangshek onder aan deze eerbiedwaardige trap is een geschenk aan en geschonken door Maurice Pirenne. Ter gelegenheid van zijn zilveren jubileum als rector cantus van de Schola Cantorum in 1990 kreeg hij een door vrienden en kennissen bij elkaar gebracht bedrag voor de aanschaf van een kunstwerk. 

Zoekende naar een kunstenaar die iets kon suggereren van de verrijzenis, ontstond bij hem het idee het kleine, gammele 'lattenhek van volkstuinachtige allure' onderaan de trap naar het grote orgel te vervangen. Het kerkbestuur ging akkoord en beloofde als geschenk bij zijn 40-jarig priesterjubileum in 1992 de meerkosten voor zijn rekening te nemen. Het ontwerp werd gemaakt door beeldend kunstenaar Geert van de Camp (1962), neef van Plebaan Gerrit van de Camp. Bij het ontwerpen heeft hij zich laten inspireren door christelijke voorstellingen uit de traditie.

Trap 20200522_114314.jpg

20200522_114127.jpg

De verdeling in een massief onderpaneel en een opengewerkt bovenstuk staat voor aarde en hemel.

Het onderpaneel - Aarde
Opvallend in het lage gedeelte zijn de twee uitgesneden handen. Het zijn niet de handen van de organist, zoals vaak gedacht wordt, maar die van de biddende mens. Er zijn twee karakteristieke gebedshoudingen. De ene is jezelf knielend klein maken, de andere is rechtop staan (voor ons 'de' verrijzenishouding) met hoofd en handen gericht naar boven. Zo houdt de priester zijn handen als hij bij de eucharistie voorgaat in gebed.

De in de onderdeur uitgesneden handen hebben naast deze symbolische zin ook artistieke betekenis doordat ze de massaliteit verlichten. Ook de geronde onderkant, die in relatie staat tot de gebogen lijnen boven dragen daartoe bij. De handen hebben bovendien praktisch nut als handvat om de deur te kunnen openen.

Het bovenpaneel - hemel
Het bovenpaneel toont de zegenende hand van Christus naar het voorbeeld van talloze iconen en mozaïeken. De hand staat in een ovaalvormige mandorla, een amandelvormige verticale omlijsting en klassiek symbool voor Christus' goddelijke natuur.

Op de deur zijn van bladgoud glinsterende cirkels aangebracht. Volgens de bedoeling van de ontwerper suggereren ze engelen. Men kan in de gesloten cirkelstructuur ook een verwijzing zien naar oneindigheid, naar het eeuwige leven.

De kleuren rood en goud heeft Geert van de Camp gekozen, omdat hem die waren opgevallen in het interieur van de kathedraal, onder andere in de doopkapel.

De toegang tot het hoofdorgel is sinds Witte Donderdag 8 april 1993 een bijzonder monument geworden. Een deur die te denken geeft.